Uit het isolement verlost: busverbindingen in en rond Ooststellingwerf

Tot het einde van de negentiende eeuw verloopt het personenvervoer in en rond de Stellingwerven grotendeels te voet en via vaarten en wijken. De trekschuit biedt weliswaar comfort, maar is traag. Voor wie sneller wil reizen, is er de diligence, later de omnibus, tussen Oosterwolde en Gorredijk, al is men daarbij afhankelijk van het weer en de vaak slechte toestand van de wegen. In de loop van de negentiende eeuw verbetert de infrastructuur geleidelijk door de aanleg van verharde wegen. De komst van het spoor betekent vervolgens een ware omwenteling: vanaf 1868 worden spoorlijnen in Noord-Nederland aangelegd en in 1882 verschijnt de eerste stoomtram.

Fiets en tram

Ook de opkomst van de fiets draagt bij aan de mobiliteit. In 1903 beschikt ongeveer 5% van de inwoners van Ooststellingwerf over een rijwiel. De aanleg van een tramverbinding laat op zich wachten. Pas na langdurige discussies in de gemeenteraden komt in 1911 de tramlijn tussen Oosterwolde en Gorredijk tot stand. Enkele jaren later volgen verbindingen naar Steenwijk en Assen. Daarmee raakt de streek grotendeels uit zijn isolement.

Het traditionele vervoer verdwijnt echter niet onmiddellijk. Karrijders, hondenkarren en paard en wagen blijven tot ver in de twintigste eeuw onderdeel van het straatbeeld. Ook goederenvervoer, zoals melk en andere vracht, vindt tot in de jaren vijftig nog veelvuldig plaats via de vaarten.

Oriëntatie op Groningen

De introductie van de autobus betekent opnieuw een belangrijke stap voorwaarts. Al in 1919 wordt in ‘Hepkema’s courant’ gepleit voor busverbindingen tussen Ooststellingwerf, het oostelijk deel van Opsterland en de stad Groningen. Een jaar later vindt in hotel De Gouden Klok een oprichtingsvergadering plaats voor een autobusmaatschappij op het traject Oosterwolde–Leek, maar dit initiatief komt uiteindelijk niet tot uitvoering.

In 1922 lukt het wel om vaste autodiensten te realiseren, onder meer tussen Oldeberkoop en Steenwijk en tussen Makkinga en Wolvega. Zodra er een directe busverbinding met Groningen tot stand komt, blijkt deze vooral van groot belang voor patiënten en bezoekers van ziekenhuizen in de stad. Tegelijkertijd leidt deze betere bereikbaarheid tot kritiek: sommigen vrezen dat Oostelijk Friesland zich te sterk op Groningen gaat oriënteren.

Wildgroei en toezicht

In de beginjaren van het busvervoer ontstaan tal van particuliere initiatieven. Deze snelle groei leidt al spoedig tot onoverzichtelijke situaties. In juli 1923 krijgen gemeenteveldwachters daarom opdracht onderzoek te doen naar de bestaande autodiensten. De gemeente wil inzicht krijgen in trajecten, tarieven en het aantal voertuigen.

Eind 1923 blijken er ten minste acht ondernemers actief te zijn, van wie er alleen al drie in Haulerwijk opereren (Miedema, Oosting en Van der Mei). Een retourtje Haulerwijk–Groningen kost in die tijd ongeveer twee gulden. Hoewel een vergunning nog niet verplicht is, moeten voertuigen wel worden gekeurd door de gemeentepolitie van Leeuwarden.

Dat toezicht geen overbodige luxe is, blijkt al snel. Er worden tal van misstanden geconstateerd: vrachtwagens die voor personenvervoer worden gebruikt, onveilige benzinereservoirs en voertuigen die niet tijdig worden gekeurd. In 1925 klaagt vrachtrijder H. Poutsma uit Haulerwijk dat autobussen naast passagiers ook uiteenlopende goederen vervoeren, variërend van zware manden met vet en fietsen tot zelfs vaten bier.

Vanaf 1927 krijgt de provincie een grotere rol in het toezicht. Wanneer Drenthe dat jaar een vergunning weigert aan de HABO, springt de gemeente bij. De burgemeester benadrukt daarbij dat juist dit particuliere initiatief eraan heeft bijgedragen dat Haulerwijk uit zijn isolement is geraakt.

Ongelukken in de begintijd

De beginjaren van het busvervoer gaan gepaard met relatief veel ongelukken. In 1925 botst een bus vanuit Haulerwijk bij de Norgervaart op een tram, waarbij enkele gewonden vallen doordat de chauffeur door de harde wind het signaal niet heeft gehoord. Twee jaar later, op 11 november 1927, wijkt een auto bij dichte mist uit voor een bus op de grens van Olde- en Nijeberkoop; de automobilist raakt daarbij ernstig gewond en verliest vermoedelijk een oog.

Ook andere incidenten illustreren de risico’s van het vroege verkeer. In december 1927 schrikt een paard bij Haule van een passerende bus, waardoor de voerman onder het voertuig terechtkomt en een gebroken been oploopt. Vergelijkbare ongelukken doen zich vaker voor, waarbij paarden schrikken van het gemotoriseerde verkeer. In 1930 vindt bij Haulerwijk een ernstig ongeval plaats waarbij een bus bij het passeren van een andere bus over de kop slaat. Het incident haalt zelfs het landelijke nieuws.

Tussen deze ongelukken door zijn er ook bijzondere gebeurtenissen, zoals de geboorte van een kind in een bus op weg van Haulerwijk naar Groningen in 1924.

Oorlog en schaalvergroting

Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden in 1944 de meeste bussen door de Duitse bezetter gevorderd, waardoor er na de bevrijding nauwelijks materieel is. Vanaf 1945 wordt het wagenpark weer opgebouwd, onder meer met afgedankte bussen uit Engeland en de Verenigde Staten.

In de jaren vijftig vormt de opkomst van de bromfiets nog geen grote bedreiging voor het busvervoer, maar dat verandert in de jaren zestig wanneer de personenauto steeds meer gemeengoed wordt. Busmaatschappijen spelen hierop in door naast reguliere lijndiensten ook schoolvervoer en personeelsreizen aan te bieden.

Schaalvergroting blijkt uiteindelijk onvermijdelijk. Fusies en overheidssubsidies worden noodzakelijk om het openbaar vervoer in stand te houden. Vanaf 1969 stelt de overheid subsidie beschikbaar voor onrendabele lijnen. Grotere vervoerders, zoals de ESA, domineren inmiddels de markt, maar ook zij zijn niet opgewassen tegen de veranderende omstandigheden. In 1971 wordt vrijwel het gehele busvervoer in Friesland ondergebracht in één organisatie: de FRAM.

Meer informatie?

U kunt het gemeentearchief bezoeken. De studiezaal is elke donderdag open van 9.00 tot 16.30 uur. Maak hiervoor eerst een afspraak via telefoonnummer 14 0516 of mail naar gemeente@ooststellingwerf.nl.